In Bergschenhoek is een groot aantal werkgroepen en vrijwilligers aktief. Via de lijst kunt u informatie over een gezochte werkgroep opvragen.

De Morgenster 2018-5

November 2018

Geloofsgesprek binnen pastoraal team

Terugblik jubileumviering Onze Lieve Vrouw Geboorte Berkel

Bekijk

De Morgenster 2019-5

Juli 2019

Eten en Ontmoeten: hartvewarmend

Eerste Heilige Communie: vieringen in de kernen

Pastor Bracco Gartner heeft afscheid genomen

Bekijk

De Morgenster 2019-1

Februari 2019

Geloofsgesprek

Wereldjongerendagen

Jaar van de Roepingen

Bekijk
 

Historie OLVG Vollebregtorgel

Reeds in 1820 moet de toenmalige R.-K. schuilkerk van Berkel en Rodenrijs in het bezit zijn geweest van een orgel, want in dat jaar verrichtte N. Looyaards uit Alphen aan den Rijn enig herstelwerk aan het instrument.

De bouwer en het bouwjaar van dit orgel zijn onbekend. Wel weten we de dispositie (= samenstelling, zie Bijlage 1) waaruit we kunnen opmaken dat het een relatief klein orgel met één klavier was, dat 81/2 registers telde. Het instrument werd in 1836 "aanmerkelijk verbeterd".

Toen de O.L. Vrouw Geboortekerk op 20 mei 1866 in gebruik werd genomen kreeg deze wel een vrij grote koorzolder maar was er helaas geen geld meer om een nieuw orgel aan te schaffen. Dus had men het orgel van de oude R.-K. kerk, die verder naar het noorden stond, overgeplaatst.

Organist was toen Kees v.d. Burg Azn (één van de vier gebroeders die in 1849 het "Zedelijk lichaam" van de familie v.d. Burg hebben opgericht). Zijn oudste zoon Arend bespeelde op 15-jarige leeftijd het kerkorgel. Hij en zijn vader beklaagden zich bij de toenmalige pastoor van Rijn, dat het orgel eigenlijk toch te armoedig was voor zo'n mooie nieuwe kerk. 

 De pastoor verleende zijn medewerking en liet in 1869 bij een orgelmaker een concepttekening voor een nieuw orgel maken en legde deze voor aan het kerkbestuur. Maar toen rees de vraag: "Waar halen we zoveel geld vandaan". Het plan verdween in de ijskast. Pastoor van Rijn liet het er echter niet bij zitten. Hij zou in 1873 zijn 25-jarig priesterfeest vieren en vond het een goed plan als de parochie hem dan een nieuw orgel zou schenken! Op 27 december 1871 sprak de pastoor met de heer H. van Zutphen opnieuw over de noodzakelijkheid van een nieuw orgel. Zijn priesterfeest was daar een geschikte gelegenheid voor. Voor zichzelf wenste hij géén cadeaus.

Organist Arend v.d. Burg en koordirecteur H. van Zutphen verklaarden zich bereid met een intekenlijst door de parochie te gaan. Al gauw stond daarop ingetekend een bedrag van fl 4.500,-. Ze vertrouwden erop dat dit bedrag nog wel zou groeien en samen met de pastoor bestelden de heren bij de firma Vollebregt in 's-Hertogenbosch een nieuw orgel voor de prijs van fl 6.000,-. Daarbij werd het verzoek gedaan het orgel op te leveren vóór augustus 1873 (feest van de pastoor). De orgelbouwer kon hierop zijn woord niet geven; het tijdsbestek was te kort. Drie maanden later was het wel zo ver. Op 26 november 1873 werd het Vollebregtorgel feestelijk in gebruik genomen. Pastoor van Rijn celebreerde de H. Mis, geassisteerd door de eerwaarde heren Van 't Rood, pastoor van Pijnacker, Frentrop, pastoor van Overschie en Kuyper, kapelaan in Zoetermeer.

De maker, Jacobus Johannes Vollebregt (Rotterdam 19.10.1825 's-Hertogenbosch 2-9-1888) was de zoon van de oprichter van de orgelmakerij, Johannes Josephus Vollebregt (Maassluis 21-5-1793 's-Hertogenbosch 17-5-1872). Reeds de vader van Vollebregt senior, evenals zijn kleinzoon Jacobus geheten (Bergschenhoek 23-9-1761 Vlaardingen 30-8-1813) noemde zich orgelmaker, maar verrichtte, voor zover bekend, slechts reparaties. De familie Vollebregt was dus afkomstig uit de streek rond Berkel en die familienaam komt thans nog steeds veel voor in de regio rond Rotterdam.

Johannes Josephus Vollebregt vervaardigde en herstelde na zijn vestiging als zelfstandig orgelmaker in 1845, aanvankelijk in Heusden, maar later definitief in 's-Hertogenbosch, een groot aantal orgels, voornamelijk in Noord-Brabant, maar een enkele keer maakte hij ook een orgel in de provincie waar hij was geboren, zoals de instrumenten voor de R.-K. kerken van Noordwijkerhout (1856) of Schipluiden (1867). Hij stond bekend als een degelijke orgelbouwer. Tot voor kort dacht men dat zijn zoon Jacobus in het geheel geen nieuwe orgels had geleverd.

Zo staat het zelfs in een, in boekvorm uitgegeven studie over het werk van vader en zoon Vollebregt. Het blijkt echter dat Vollebregt junior na het overlijden van zijn vader nog minstens drie nieuwe orgels heeft voltooid. Allereerst voor de R.-K. kerk van Sassenheim (1872), vervolgens voor de R.-K. kerk in Berkel en Rodenrijs (1873) en, tot slot, voor de R.-K. kerk in Ouderkerk aan de Amstel (1878). Mogelijk was de vertraagde oplevering in Berkel wel te wijten aan het overlijden van Vollebregt senior. Aan het orgel van Ouderkerk, dat tot voor kort aan zijn vader was toegeschreven en dat nog in bijna originele toestand bewaard is gebleven, kan men zien dat Vollebregt junior nog grotendeels bouwde zoals zijn vader. Slechts op een paar punten week hij van diens bouwwijze af om met zijn tijd mee te gaan. Voor een technische beschrijving, zie Bijlage 2.

De eerste organist van het nieuwe orgel in Berkel was de heer Kees v.d. Burg Azn., opgevolgd door zijn zoon Arend, later opgevolgd door diens zoon Kees v.d. Burg. Wie er orgeltrapper was, is niet te achterhalen, wel het salaris van de orgeltrapper. Dit werd in 1869 verhoogd van fl 4,- naar fl 8,- per jaar.

In 1893 was er een dringend verzoek aan het kerkbestuur om de koorruimte te vergroten. Men heeft het orgel toen enkele meters naar achteren gezet en tot gemak van de organist de speeltafel naar de zijkant van het orgel verplaatst. Dit hield in dat de mechaniek grondig aangepast moest worden. Het is niet bekend wie dit werk heeft uitgevoerd. In elk geval niet Jacobus Johannes Vollebregt, want die was reeds in 1888 overleden.

In 1925 was de kerk te klein geworden en vergrootte men het gebouw met twee zijbeuken. Het kerkorgel onderging bij die verbouwing een restauratie door toevoeging van twee registers en het aanbrengen van nieuwe frontpijpen, vermoedelijk van zink. Dit werk werd in 1926 uitgevoerd door de fa. Standaart te Rotterdam. Deze plaatste tevens een elektrische ventilator voor de windvoorziening waardoor de orgeltrapper overbodig werd.

Op een koorvergadering van 22 november 1934 klaagden de organisten steen en been over de miserabele toestand van het orgel. Het was onbespeelbaar, zeiden ze. Het moest nodig vernieuwd worden. Men voelde voor modernisering en een algehele ombouw! De kosten van een en ander werden geraamd op fl 3.000,-. Het was crisistijd en zodoende kon men niet uit de kerkkas putten, vond de toenmalige pastoor Vlek.

Een suggestie was om met kerstnacht het orgel te spelen met alle registers opengetrokken. Dan zou het ook voor de parochianen meteen duidelijk zijn, dat het orgel aan vernieuwing toe was.

Besloten werd, dat de secretaris van het koor een artikel in 'De Bazuin' zou schrijven, waarin de parochianen werden opgeroepen het geld bijeen te brengen door het kopen van renteloze aandelen van fl 10,- fl 25,- fl 50,- en fl 100,-. Ook zou er achter in de kerk een zgn. verjaardagsbus geplaatst worden ten bate van het orgelfonds. De alarmkreet in de Bazuin had als kop "Daar zit muziek in." Ondanks deze initiatieven kwam het orgelfonds niet van de grond.

Op 24 april 1935 werd er een orgelcomité in het leven geroepen. Voorzitter was pastoor Vlek en verder de heren H. v.d. Spek, J. v.d. Burg en H. Wijsman. Het plan van renteloze aandelen werd van tafel geveegd. De orgelfondsbus werd wel achter in de kerk geplaatst met de vraag, of de parochianen ter gelegenheid van hun verjaardag een bijdrage voor het orgel wilden storten. Daarbij werd gezegd: "Klop gerust aan bij een suikeroom of -tante om een bijdrage voor het orgel". Er was geen stormloop op de bus, want in 1938 werd het orgelcomité ongeduldig en op 10 mei van dat jaar vroeg men een onderhoud aan met het kerkbestuur om de zaak van de restauratie te bespreken. Het comité hoopte op een spoedig antwoord, maar dit bleef uit vanwege het plotselinge overlijden van pastoor Vlek op 12 mei 1938.

Zijn opvolger, pastoor Velthuijse, was volkomen overtuigd van de noodzaak om het orgel te restaureren en zegde volledige medewerking toe. Men sprak over een bedrag van fl 4.000,- à fl 5.000,-. De bus voor het orgelfonds bleef voorlopig nog staan achter in de kerk. In mei 1941 bestond het kerkgebouw 75 jaar. Vanwege de oorlog werd dit in stilte herdacht. Pastoor Velthuijse greep het 75-jarig bestaan aan om een blijvende herinnering aan dit jubileum te verbinden door een vernieuwd orgel. Het bisdom stemde er mee in, dat fl 7.000,- van de opbrengst van onroerend goed in 1940 werd afgezonderd.

De opdracht tot herbouw en uitbreiding werd gegeven aan de firma P.C. Bik in Leiden. Het enige, dat van het oude orgel behouden bleef, waren de pijpen. Die waren van een uitstekende kwaliteit. Ook werden enige ornamenten van de kas hergebruikt. Het orgel, dat mechanisch was, zou nu pneumatisch worden. Pneumatiek was toen al een door de elektropneumatiek achterhaalde techniek, maar kon in de oorlogstijd goede diensten bewijzen, omdat het orgel, zelfs bij stroomuitval, nog altijd kon worden bespeeld. Het oude mechanische instrument was volgens de orgelbouwer geheel versleten!

Met behoud van de pijpen heeft de firma Bik een pneumatisch orgel geleverd. Die oude pijpen werden geheel gerestaureerd, er kwam zelfs nog een nieuw register bij, maar helaas werd ook het Trompetregister van Vollebregt vervangen door een fabrieksexemplaar en moest de oorspronkelijke kas eveneens wijken. Door plaatsing van het pijpwerk aan weerszijden van de toren, werd veel ruimte gewonnen voor het koor, want ook de koorzolder werd gerestaureerd. Alles bij elkaar waren de kosten fl 5.000,-.

Zondag 19 april 1942 werd het nieuwe orgel ingewijd. De eerste bespeling van het orgel staat op naam van Adriaan van Leeuwen, die met grote deskundigheid en met veel enthousiasme de orgelklanken door de kerk liet gaan. Hij was een Berkelaar, die studeerde aan de R.-K. Kerkmuziekschool in Utrecht. Ook de bouwer van het orgel, de heer Bik, speelde enkele solo's. De speeltafel stond weer midden voor tegen de torenmuur. Zodoende zat de organist weer met zijn rug naar het altaar. Maar door middel van spiegels kon hij alle handelingen aan het altaar volgen. Daarboven, tegen de torenmuur, waren de frontpijpen van het orgel opgehangen van klein naar groot, en weer van groot naar klein. Het geheel hing plat tegen de muur.

In 1956 kwam het onderhoud bij de Rotterdamse firma Valckx en Van Kouteren die in 1963 werd overgenomen door Pels, toen gevestigd te Alkmaar. Begin jaren 70 is er een blikseminslag geweest, waardoor alle elektrische motoren van het orgel en van de klokken beschadigd waren. Het werd allemaal wel weer gerepareerd, maar sindsdien ging de kwaliteit van het orgel achteruit en stonden de heren en dames organisten wel eens te kijk, als het orgel het liet afweten. Jaar na jaar ging het orgel hoorbaar achteruit. In 1997 werd besloten tot algehele restauratie van het Vollebregtorgel. Daarbij werd overwogen, dat er sprake was van een uniek instrument, zeker de moeite en de kosten waard om te behouden voor het nageslacht. Bovendien besloot men om het orgel weer terug te brengen naar de oorspronkelijke mechanische tractuur, zoals orgelbouwer Vollebregt dat in 1873 had opgeleverd.

Mede om fiscale redenen werd in 1997 een stichting opgericht met als naam 'Stichting Vollebregtorgel'.

De opdracht voor de stichting was:

1. Restauratie van het orgel en

2. het bijeen brengen van de benodigde gelden.

Het stichtingsbestuur ging enthousiast aan het werk.

De benodigde kosten werden geraamd op fl 400.000,- inclusief het benodigde bedrag voor de aanschaf van een klein transeptorgel voor in de kerk. Er was al een 'startkapitaal' in de vorm van een legaat van oud-pastoor de Wit. Door bijdragen ineens van parochianen, de gevoerde actie 'vijf piek (per maand) voor muziek', kaartavonden en bijdragen van landelijke fondsen was het benodigde geld eind maart 2001 bijeen.

Tijdens de financiële acties werd al opdracht voor de restauratie en voor de levering van het genoemde transeptorgel gegeven aan de firma Vermeulen, een gerenommeerd geslacht van orgelbouwers uit Weert. In de periode na het verstrekken van de opdracht werd de firma Vermeulen, wegens gebrek aan opvolgers, overgenomen door de fa. Flentrop uit Zaandam, een orgelbouwer met wereldfaam. Voor de restauratie is het gehele orgel overgebracht naar de werkplaats van de firma Flentrop in Zaandam. De streefdatum voor de oplevering van het Vollebregtorgel was gepland voor Kerstmis 2000. Deze datum bleek niet haalbaar.

Het zou 4 april 2001 worden. Tevoren is het technische deel van het instrument gemonteerd en gedemonteerd in de ateliers van Flentrop die tevens de kas met bijbehorende tinnen frontpijpen van het voormalige Standaartorgel (1914) uit de Gereformeerde kerk aan de Vinkenstraat in Zaandam ter beschikking stelde. In de O.L. Vrouw Geboortekerk is het orgel, na montage, met liefde en zorg voor het vak geïntoneerd door Frans Vermeulen, die daarbij kon putten uit zijn ervaring met eerdere restauraties van Vollebregtorgels en die het oorspronkelijke mooie klankbeeld weer wist te doen herleven. Verwacht wordt, dat zonder ingrijpend onderhoud, het orgel zeker 100 jaren kan worden gebruikt.

Het bestuur van de Stichting Vollebregtorgel kan met een gerust hart en met een voldaan gevoel het orgel op 4 april 2001 overdragen aan het parochiebestuur. Voor de overdracht was er een orgelconcert en zang van de gemengde koren. Koordirigent was Nico Schinkel. Het orgel werd bespeeld door Aad Hulst, organist van de O.L. Vrouw Geboortekerk, André Ringeling, organist van de Pius X-kerk en Ton van Eck, organist van de St. Bavokathedraal in Haarlem.

Literatuur

Frans Jespers & Ad van Sleuwen, Tot roem van zijn makers.

Een studie over J.J. Vollebregt en Zoon, Meester orgelmakers te 's-Hertogenbosch. 's-Hertogenbosch 1978.

A. Hulst & F. v.d. Burg, Geschiedenis van de Kerkmuziek in de parochie O. L. Vrouw Geboorte te Berkel en Rodenrijs [typoscript]. Berkel en Rodenrijs, 1979.

W.A. v.d. Klei, Werklijst van de Standaartorgelfabriek (1904-1935). De Mixtuur nr. 20, febr. 1977, pag. 440.

 

Met dank aan de heer T. Bouw te Pijnacker voor het verstrekken van een aantal gegevens.

Bijlage 1

Dispositie van het orgel uit de schuilkerk

Dispositie van het orgel naar het handschrift Lohmann dat dateert van rond 1835.

Prestant 4vt

Rhoerfluit 4vt

Prestant D[isc.] 8vt

Kwint 3vt

Holpijp 8vt

Mixtuur gehalv. 2vt

 Fluit 4vt Sexquialter 2st.

Octaaf 2vt TremulantVentiel

Bijlage 2

Beknopte technische beschrijving van het Vollebregtorgel

Pijpwerk

Het originele pijpwerk, afkomstig van Jacobus Johannes Vollebregt, is weer gebruikt in het nu gerestaureerde orgel en wel met de volgende dispositie:

Hoofdwerk

Bourdon 16' geheel Vollebregt, fis''' en g''' nieuw. 

 24 grootste van hout.

Prestant 8' frontpijpen van elders afkomstig, 80% tin,

e'-f''' Vollebregt, fis''' en g''' nieuw.

Holpijp 8' geheel Vollebregt, fis''' en g''' nieuw. 

 12 grootste van hout.

Octaaf 4' idem

Gedekte fluit 4' idem

Quint 3' idemOctaaf 2' idem

Mixtuur III sterk idem. Samenstelling: 

 C 2' 1 1/3' 1

c' 2 2/3' 2' 2'

c'' 4' 2 2/3' 2'

c''' 5 1/3' 4' 4'

Trompet 8' b/d naar voorbeeld Vollebregt (nieuw)

 

PositiefPrestant 8' af c( C-H gecombineerd met Holpijp 8'

c(-f''' Vollebregt, fis''' en g''' nieuw

Holpijp 8' geheel Vollebregt, fis''' en g''' nieuw, 

 12 grootste van hout

Viola di Gamba 8' idem

Fluit Travers 8' discant, nieuw

Saliset 4' geheel Vollebregt, fis''' en g''' nieuw.

Roerfluit 4' idem

Gemshoorn 2' idem

 

Pedaal

Subbas 16' gecombineerd met Bourdon 16' HW

Prestant 8', gecombineerd met Prestant 8' HW

 

Koppels

Manuaal koppel

Positief aan Pedaal

Manuaal aan Pedaal

 

Omvang manualen:C-g'''

Omvang pedaal: C- f'

 

Trompet 8'

De bestaande trompet 8' viel, qua klank en fractuur, ver buiten het beeld van Vollebregt. Wat klank betreft zou deze dan ook los blijven staan van het totale klankbeeld en dus wel geluid, maar geen draagkracht, laat staan klankschoonheid, toevoegen. Daarom is besloten deze trompet te vervangen door een nieuwe, die gekopieerd is van een voorbeeldregister van Vollebregt.

 

De orgelkas

De onderkas is nieuw en uitgevoerd in grenen. De bovenkas is vervaardigd met gebruikmaking van de kas van het door de Rotterdamse fa. Standaart in 1914 gebouwde voormalige balustradeorgel van de Gereformeerde kerk aan de Vinkenstraat in Zaandam.


Het schilderwerk en de voorbewerkingen zijn uitgevoerd door de vrijwilligers en broers Hennie en Mathé Hogervorst. Ook de toepassing van bladgoud is door beide heren op vakkundige wijze verricht. Bovendien zijn de betonnen achterwanden door beiden in schoon metselwerkmotief geschilderd. Enkele sierelementen (leeuwenkoppen en rozetten) uit de bestaande façade zijn in de nieuwe kas gebruikt, zij het dat deze elementen nu ook van bladgoud zijn voorzien.

 

Windladen 

 Deze zijn geheel van eiken vervaardigd, met uitzondering van de ventielen. Die zijn van Amerikaans naaldhout gemaakt, teneinde kromtrekken uit te sluiten. De ventielen zijn voorzien van een belering van dubbel schapenleer. Voor de pulpeten zijn loden plaatjes toegepast. De gebruikte conducten zijn van lood.

 

Windvoorziening

De bestaande magazijnbalg (mogelijk daterend uit 1925) is herbeleerd. De nieuwe kanalen zijn in massief grenen vervaardigd.

 

Toetstractuur

De klavieren zijn van eiken, met ebben boventoetsen en met beleg van been op de ondertoetsen. De bakstukken zijn van eiken. Het zichtbare gedeelte hiervan is belegd met ebbenhout. Het pedaalklavier en de orgelbank zijn van eiken.

 

Registertractuur

De registerknoppen zijn gemaakt van ebbenhout. De registerplaatjes zijn van zwart geschilderd lood met gouden letters, zoals Vollebregt dat altijd deed.


(Met dank aan Frans Vermeulen voor het verstrekken van een aantal gegevens)

Terug naar de vorige pagina
Tekstgrootte

De dingen die u met elkaar gemeen hebt maken een relatie aangenaam. De verschillen maken haar interessant.